![]() |
Strategieën van adaptatie
Enkele in- en uitgangen bij Damaged Goods’ Highway 101 |
| Author(s): Jeroen Peeters | |
| First published in: A-Prior, December 2001 | |
|
Waar te beginnen bij een brede benadering van het werk van Meg Stuart en Damaged Goods, een die tracht de veelheid aan beelden en ideeën van dat werk te waarderen? Een benadering die niet historisch is, en evenmin theoretische uitdieping verstaat als het aandragen van filosofen of het creëren van een coherent discours? Dat laatste gebeurt al eens met te veel vanzelfsprekendheid, terwijl het werk precies cirkelt rond tegenstrijdige krachten. De veelheid verdubbelen dan maar, op basis van analyses en reflecties, in dit geval beperkt tot het recente project Highway 101? Niet zonder meer, al te veel dwaalwegen en fantoomstructuren kunnen vervelend zijn in een tekst (die noodgedwongen een andere inzet heeft dan een performance). Het is een geïnformeerde kritiek, die ook aansluit bij gedachten aangedragen door Meg Stuart zelf in interviews, maar daarom nog geen intentionele, immers: “The issue happens afterwards,” zoals Stuart het uitdrukt. En blijft gebeuren, waarom niet in een leesparcours dat toelaat verscheidene thema’s naar eigen goeddunken te verbinden, en eventueel kijkervaringen in herinnering brengt? Van a tot z afgedrukt, maar in willekeurige volgorde te lezen. Adaptatie. In een interview bij de aanvang van Highway 101 in maart 2000 eindigt Meg Stuart ons gesprek met een open vraag. Het project dreef de idee in meerdere tijdruimtes te kunnen leven op de spits op honderdeneen manieren, waarbij technologie en lichaam deelnamen aan eenzelfde psychose. Stuart wilde zich bezinnen over dat typisch menselijke fenomeen: “Ik denk dat we in talrijke ruimtes leven, dat zoiets heel natuurlijk is voor ons. Dat geldt ook voor de manier waarop we met tijd experimenteren. Mensen willen hun lichaam en mentale toestanden in de toekomst voorbereiden, door hun relaties tot allerhande menselijke condities te onderzoeken. Het is ook niet altijd duidelijk in wat voor verregaande mate de wetenschap reeds met mensen experimenteert, bijvoorbeeld door genetische manipulatie. Niet dat ik de nood voel om daar in ethische zin uitspraken over te doen; maar precies de relaties van mensen tot allerhande media in wetenschappelijk onderzoek maken duidelijk dat wij ons gemakkelijk aanpassen. Ik vraag me af waarom wij zo gemakkelijk dingen adapteren.” Een tweeledig proces, maar met een duidelijke richting: we zetten de dingen naar onze hand, en gedragen ons als kameleons in uiteenlopende contexten, gedreven door het verlangen onszelf te overschrijden. Een verlangen naar smijdigheid en oneindigheid, naar een open einde, als mogelijk begin van een lang en breedvertakt parcours. Archief. Highway 101 was een complex netwerk waarin het geheugen geregeld terugkeerde als thema. Gezien het aandeel van video in het project was er een groot archief van beelden voorhanden, maar ook de dansers zelf waren als een fysiek archief van bewegingsmateriaal en rakelden elders verhalen uit hun persoonlijk verleden op. Documentatie laat als principe onder meer toe aan de haal de gaan met bepaalde scènes en die elders opnieuw te creëren, als een remix zeg maar: Soft Wear werd parallel in twee versies ontwikkeld (zie Morphing), de lounge keerde meermaals terug en kreeg daarbij andere betekenissen (zie Intimiteit), andere scènes lieten zich vanuit meerdere standpunten bekijken (zie Parcours). Of neem The House, dat in Zurich nagespeeld werd in een nauwkeurige reproductie van het Weense decor. Eerder dan te spreken over origineel en kopie stelde zich daar de vraag naar de her-creatie, en daarmee het her-ervaren van iets wat hetzelfde was en toch weer niet. Een valse herinnering? Architectuur. De openingsscène van de eerste etappe van Highway 101 in Brussel speelde zich af in een dakserre met glazen vloer, zichtbaar vanuit de foyer van de Kaaitheaterstudio’s. Het publiek wordt gevraagd op de grond te liggen en zo de choreografie achter het vloerglas een aantal meters hoger te volgen. Door eenvoudige maar frenetieke figuren markeren staande, zittende en liggende dansers deze vreemde, kleine ruimte, waarbij de glazen wand de onwerkelijkheid van het schouwspel enkel verhoogt. Zoals de pendantchoreografie van liggende toeschouwers benadrukt, is ook de ruimte die het publiek bezet niet wat ze is, ze begrenst zich niet tot een tribune, maar is in expansie, alsof ze ademt. Ervaring. Het uitgangspunt van een nog ongeschreven Highway 101 was de idee honderdeneen enkelvoudige ‘Tasks/Dances’ te ontwikkelen die op verschillende manieren samengebracht en uitgevoerd konden worden in uiteenlopende contexten. “De taken zijn geen statische oefeningen maar staan open voor improvisatie en accidenten. In dit werk vervagen performance en proces. Beweging staat nooit op zich maar tracht ervaring te herdefiniëren, soms op inadequate, soms eloquente wijze.” (Stuart in het programmaboek van Laboratorium). Exit. Tijdens de eerste stop van Highway 101 in de Kaaitheaterstudio’s in Brussel werd het publiek door de performers rondgeleid doorheen het gebouw, met de eenvoudige aanmaning “Please follow me to the next exit.” Het parcours werd verbonden met het beeld van de snelweg, waarbij de staties van de voorstelling zoiets als een serie uitritten werd. Vreemd, want in het theater verwacht je namelijk toegang te krijgen tot een gebeuren, een tijdruimte te delen. Wat dan gezegd over deze uitgangen, valt zoiets nog te rijmen met theater? In Highway 101 gaat het misschien eerder om een uitnodiging het theater te verlaten (figuurlijk dan), weg van een duidelijk omlijnde tijdruimte die publiek en performers delen. Ook de performers stappen immers in en uit het gebeuren, de rol van performer en gids afwisselend. Figuur/grond. Van zodra figuren zich weten te onderscheiden van een grond worden ze leesbaar, opgenomen in een visueel betekeniskader. Dat kader is intussen op de meest uiteenlopende wijzen gecodificeerd, waardoor ook de deconstructies ervan veelzijdig zijn. Meg Stuart gebruikt deze gekende vorm van beeldmatigheid als een vehikel om diepte te choreograferen, bijvoorbeeld spelend met de afstand en nabijheid van een danser in de ruimte, of door vermenging van 2D en 3D (zie ook Medium). Eenvoudige inversies van figuur en grond kunnen al goed zijn voor totaal nieuwe percepten, waarbij ook hele betekenisstructuren gaan schuiven. Herhaling. Tegen het einde van de Weense stop van Highway 101 komt het publiek samen en bekijkt vanop afstand een grote wand vol ramen, deuren en een trap – een scène die bekend staat als The House. Voor en achter lopen dansers heen en weer. Twee dansers lopen elk van rechts naar links achter een raam, steeds weer. Herhaling binnen een beperkt ruimtelijk kader, het is bij Meg Stuart een veelgebruikte methode om tijd te structureren. Tegelijk wordt het wat van materiaal en scène gebanaliseerd, gereduceerd tot een non-event, om in die reductie de patronen zelf naar voren te schuiven, en daarmee de pregnantie van hun duidelijke tijdruimtelijke alliantie. Als choreografisch principe laat deze herhaling een reeks manipulaties van een enkele beweging of geste toe: bijvoorbeeld versnelling en vertraging, ruimtelijke verbreding en verdichting, verplaatsing, alsook combinaties en extensies ervan. Hyperrealisme. De achterwand in een van de Kaaitheaterstudio’s heeft een open middencompartiment dat uitkijkt op een trap en kan worden afgesloten met gordijnen; bovenaan bevinden zich links en rechts schuifdeuren die uitgeven op kamers van een tussenverdieping. In deze setting werd een reeks alledaagse taferelen opgevoerd, maar enigszins anders dan The House in Wenen: op de witte deuren werden ook projecties getoond. De handelingen leunen niet voor lang bij de werkelijkheid aan, ze zijn zichtbaar als ze zich vóór de wand afspelen, of op de trap, of als de deuren opengeschoven zijn en de kijker rechtstreeks in de kamers kan binnenkijken. Of beter, hij kijkt ernaar alsof het een soort ‘tableau’ is, afgelijnd door een raam. Soms gaan de deuren dicht en zie je een projectie, soms vertrekt een performer beneden aan de trap, om boven in de projectie te eindigen. Er wordt dus ook ‘live’ geregistreerd en geprojecteerd. Maar als het videobeeld verglijdt wordt duidelijk dat er ook vooraf opgenomen beelden in het geding zijn, op zich getoond, of vermengd met een live opgenomen videobeeld, of overgaand in de performance zelf, waarbij niet langer duidelijk is of die nog wel ‘live’ plaatsvindt. In situ. Met Highway 101 verliet Damaged Goods voor het eerst in lange tijd het conventionele theater om op locatie te werken – de enige voorganger in die zin is het project This is the Show and the Show is Many Things (1994), waarbij performers interventies deden tussen publiek en beeldende kunstwerken in het Museum voor Hedendaagse Kunst in Gent. Werken op locatie betekent niet per se dat het om site specific werk gaat, wel dat de vraag naar de context van het theater opduikt, nu de vanzelfsprekendheid van de zwarte doos niet meer voorhanden is. Het theater treedt expliciet buiten zijn verdwijningsesthetica, waardoor allerhande contextfenomenen plots vrijelijk kunnen binnensijpelen. Dat vraagt van de kunstenaars ook met die context om te gaan, deze om te vormen tot een specifieke context voor het werk. Intimiteit. Voor de stop van Highway 101 in Wenen ensceneerde dramaturg Stefan Pucher een grote ruimte met vast tapijt, sofa’s, tafeltjes en salonlampen waarin publiek en performers zich samen treffen – The Lounge. Deze ruimte keerde ook later in het project terug, als omgeving voor scènes waarin directe confrontaties tussen kijkers en performers aan de orde waren – een nieuwe werkwijze in het oeuvre van Damaged Goods – en daarin uiteenlopende vragen opriepen. Landschap. De traditionele structuur van een enkele choreograaf die de plak zwaait is in heel wat hedendaagse dansgezelschappen al een tijdje van de baan door de emancipatie van de dansers, en in Damaged Goods is dat niet anders. Toch ging Highway 101 verder in het openbreken van het auteurschap: naast choreografe Meg Stuart, dramaturg en scenograaf Stefan Pucher, videast Jorge Leon en een vaste kern performers (Simone Aughterlony, Heine R. Avdal, Nuno Bizarro, Varinia Canto Vila, Ugo Dehaes, Davis Freeman, Eric Grondin, Rachid Ouramdane en Yukiko Shinozaki), stond de groep open voor talrijke uitwisselingen met gastkunstenaars gedurende het parcours. De weg begaf zich daardoor geenszins van a naar z, naast haltes in zes steden tussen maart 2000 en maart 2001 (Brussel-Kaaitheaterstudio’s, Wenen-Emballagenhallen, Parijs-Centre Pompidou, Brussel-Raffinerie, Rotterdam-TENT en Zürich-Schauspielhaus), vertakte het project zich in talrijke nevenprojecten die op hun beurt ook de voorstellingenreeks bevruchtten (of verstoorden). Solo’s en videoperformances werden losgekoppeld en elders gepresenteerd. Het omgekeerde gebeurde ook: na een residentie in de Franse kunsthogeschool Le Fresnoy nodigde Stuart enkele kunstenaars uit om hun werk te tonen in het kader van Highway 101, in Wenen volgde na de voorstelling telkens een andere DJ-set. Een totaalstructuur als een landschap, dat op uiteenlopende trajecten aanstuurt en daardoor schier oneindig is. Mediamiek lichaam. De Weense stop van Highway 101 werd gepresenteerd in het kader van een festival dat zich uiteenzette met het thema ReMembering the body, tevens de naam van een boek dat werd samengesteld door Gabriele Brandstetter en Hortensia Völckers. De titel draagt een treffende metafoor aan die wijst op een paradox: ‘lichamelijkheid’ is een thema dat qua populariteit zijn gelijke niet kent, terwijl het lichaam vandaag bijzonder veraf is, geabstraheerd in beelden, letters en cijfers. De herinnering slaat in eerste instantie op de rol van het geheugen in het markeren van een symbolische ruimte, de configuratie van het lichaam als identiteitsdrager. Een lichaam is immers nooit wat het is. Daarmee duikt de paradox meteen weer op: het lichaam is altijd gemedieerd, en valt zo ook in splinters en brokken uiteen omdat het zich hecht aan uiteenlopende contexten, niet in het minst bevorderd door nieuwe technologieën. ‘Re-Membering’ is dus in een tweede beweging ook de brokken lijmen. Niet zozeer uit nostalgie, maar als een erkenning van de politieke status van het lichaam, staat het werk van Damaged Goods in het teken van deze herinnering. Medium. The House – Weense versie. Een grote wand vol ramen, deuren en een trap, voor en achter lopen dansers heen en weer, ze loopen hun bewegingen (zie Herhaling). Even later gebruiken twee dansers een tussenverdieping om een trompe l’oeil te creëren: van de ene danser zie je het onderlijf, van de andere het bovenlijf. Van de ramen wordt handig gebruik gemaakt om het beeld te versnijden, als een montage die ter plekke plaatsvindt. De handelingen en manipulaties die de dansers uitvoeren laten zich omschrijven als ‘live footage’. Morphing. Een centraal gegeven in A choreographic laboratory was de overplanting van een model uit de computertechnologie op het dansende lichaam en op het structureren van een choreografie. Morphing betekent zoveel als overgaan van de ene toestand in de andere, en leent zich er uitstekend voor aan de status van het beeld en zijn werkzaamheid te morrelen, en daarmee ook te spelen met identiteit en vormen van zelfmanipulatie. Dat spel met verschillende verschijningen kreeg onder meer gestalte in een solo-improvisatie van danseres Varinia Canto Vila, waarin de basis voor Soft Wear gelegd werd – een solo die zich parallel ontwikkelde met een tweede versie ervan door Meg Stuart zelf. Omnipresence. Met bewakingscamera’s en monitors rondom, ontstonden er in Highway 101 verwarringen over de tijdruimtelijke plaats van het ik. “Het gaat om verplaatsing en uitwisseling, een verwarring tussen ben ik daar of is het een herinnering van mezelf? Is het echt of niet echt, live of vooraf opgenomen? Welk van al die momenten is het heden, waarvan zijn we zeker?,” zo beschreef Stuart zelf de situatie. Die uitwaaiering van het ik kan ook benaderd worden als een redistributie in verschillende ruimtes: bijvoorbeeld gefilmd in de ene ruimte en live geprojecteerd in een andere ruimte. Tegelijk is de tijdelijke status van het ik veelvuldig, maar deze gaat op in de schijn aanwezig te zijn in meerdere ruimtes, een soort omnipresence. Een presence die er geen is, omdat ze verschillende ladingen dekt, uitgehold wordt door meerdere werkelijkheidsgraden, maar wel de idee dat mensen in meerdere tijdruimtes kunnen leven onderlijnt. Het maakt de wendbaarheid van het subject zichtbaar, en dekt door de eenheid van het beeld in één beweging zijn radicale gespletenheid toe. Overexposure. In de solo I’m All Yours zit Meg Stuart in een fauteuil en vertelt daarbij met een enigszins theatrale ironie over zichzelf. Allerhande gedachten die in haar opkomen worden als tekstflarden meegedeeld – genre “This shirt is second hand.” of “I’ve only been raped once.” Op een haast achteloze wijze levert ze zichzelf over aan het publiek. En aan het publieke, waardoor ze in kleine overschrijdingen statische identiteitsclaims poreus maakt en onderuit haalt. Het menselijke verlangen naar identiteit en zelfbeheersing wordt op zijn kop gezet. Parcours. Tijdens de stops van Highway 101 in zes steden werden de performances telkens gestructureerd als een parcours doorheen een gebouw. Elke ruimte leverde daarbij specifieke mogelijkheden voor de performers om scènes uit te werken, voor de kijker betekende zijn verplaatsing een zelfbewuste omgang met de ruimte. Bijzonder is nu dat in een parcours de ruimte zich gemakkelijk laat verbinden met het geheugen. Denk bijvoorbeeld aan het mnemotechnische trucje waarbij je een lijst te onthouden elementen associeert met bepaalde hoekjes in je eigen huis en omgekeerd via een denkbeeldige tocht die lijst weer kan oproepen. Deze mentale herneming in een ruimtelijke constructie was een belangrijk choreografisch principe in Highway 101: het moedigde de toeschouwer aan zelf verbanden te leggen tussen de verschillende scènes, die soms op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken hadden. Privaat. In Private Room zien we een afgesloten kamer op een groot videoscherm, waarin een jonge man (performer Rachid Ouramdane) in een fauteuil zit, bekeken door een bewakingscamera. Voor het scherm zit Meg Stuart in dezelfde fauteuil en geeft commentaar op het doen en laten van de man: “You are not in the right position” of “Don’t try so hard.” Er zijn banden tussen de live gesproken aanmaningen en de geregistreerde handelingen op video. Maar hoe ze precies samenhangen, daar hebben we het raden naar: is de man op het scherm zich bewust van wat er live gebeurt, weet hij dat hij bekeken wordt, niet enkel door een camera, maar ook door een performer en een hele groep toeschouwers? Proces. De kiemen van Highway 101 werden gelegd in september 1999 in Antwerpen, waar Meg Stuart en Damaged Goods een Choreographic laboratory bijdroegen aan Laboratorium, een tentoonstellingsproject van curatoren Hans-Ulrich Obrist en Barbara Vanderlinden. Vertrekkend vanuit de confrontatie van methodes van kunst en wetenschap, rezen binnen dit interdisciplinaire project onder meer vragen als “Wat is de betekenis van laboratoria? Wat is de betekenis van experimenten? Wanneer wordt een experiment publiek en wanneer krijgt het resultaat van een experiment publieke erkenning?” (programmaboek). Surveillance. Voor Highway 101 kwam veel materiaal tot stand in relatie tot media, in het bijzonder de bewakingscamera vormt een rode draad doorheen het project en verknoopt zich met verscheidene thema’s. Het is de camera (gekoppeld aan projectie) die het kijken en bekeken worden introduceert en choreografeert, waarbij het systeem zelf uitdrukkelijk zichtbaar is. Door een bewuste omgang van performers en toeschouwers met het fenomeen verschijnt de plaats van het lichaam en zijn beeldmatigheid duidelijker (zie Mediamiek lichaam). Door een proces van documentatie en weergave onstaat verwarring over de status van reële aanwezigheid en sporen ervan op beelddragers (zie Hyperrealisme), waarbij de registratie van toeschouwers ook hun ervaring van het gebeuren herdefinieert (zie Ervaring). Door te ‘kijken’ maakt de bewakingscamera dus heel wat processen zichtbaar, maar grijpt ook in de private sfeer in (zie Privaat), en laat toe lichaam en gedrag te hertekenen (zie Intimiteit). Omdat het als documentatie-instrument ook een geheugen opbouwt (zie Archief), leidt de bewakingscamera uiteindelijk tot hypothetische sferen, waarin verschillende modi van tijdelijkheid vervloeien (zie Omnipresence), en ook valse herinneringen werkelijkheid zijn. Toeschouwer. De toeschouwer kreeg een centrale rol toebedeeld in Highway 101, door zijn wegen doorheen de ruimtes te choreograferen, door directe relaties met de performers, door een spel met intimiteit en identiteit, door het belang van het kijken, door het samengaan van ervaring en betekenisopbouw. Daarnaast werden de toeschouwers ook in meerdere scènes als groep behandeld, om zo de publieksruimte te herdefiniëren in groepschoreografieën. Neem bijvoorbeeld de uitnodiging aan de toeschouwers op de grond te gaan liggen in de allereerste scène van het project (zie Architectuur). Enkele scènes later werd het publiek samengedreven op de kleine binnenkoer van de Kaaitheaterstudio’s, en doorheen de ramen ongegeneerd bekeken door de performers. Een even eenvoudig als daadkrachtig gebaar om het publiek te wijzen op zijn aanwezigheid. Bronnen De beschouwingen in dit artikel zijn voornamelijk gebaseerd op de visie van A choreographic laboratory (Antwerpen, september 1999), Highway 101, met name de stops in Brussel-Kaaitheaterstudio’s (maart 2000), Wenen-Emballagenhallen (juli 2000) en Brussel-La Raffinerie (december 2000), Private Room, Soft Wear (in de versies van Varinia Canto Vila en Meg Stuart) en I’m All Yours, alsook op de lectuur van Highway 101 – The Journal. Verder nam ik twee interviews met Meg Stuart af, in Brussel op 6 maart 2000 (gepubliceerd in Tijd Cultuur van 15 maart 2000) en in Salzburg op 14 juli 2001, en voerde gesprekken met Tine Van Aerschot (Brussel, 7 december 2000) en Heine R. Avdal en Yukiko Shinozaki (Kortrijk, 1 februari 2001). |
|
| Website Company / Production House: www.damagedgoods.be | |
|
Contextual Note: Dit essay werd eerder gepubliceerd in een speciaal nummer van A-Prior (nr. 6, dec. 2001, pp. 96-109) gewijd aan het werk van Meg Stuart. |
|
|
©Jeroen Peeters |
|