Home
About Sarma
Critics
Sarma-Taz
Forum
Partners
Links
Search

 

 

Elke Van Campenhout


    Intro
Biography
Bibliography
Poetics
Texts

Intro



Biography


Elke Van Campenhout has passed through a rather peculiar course. Every stage of it seeming ostensibly unrelated to the other. She failed at her entrance exam at the theatre conservatory, and took up singing at the Jazz Academy in Antwerp. After three years, and having played in a handful of mediocre but made to fit jazz, rock and punk bands, she decided to enroll in Philosophy at the University of Leuven. After finishing this study, she received a scholarship to study Theatre Studies at the University of London. Which, regrettably, didn’t have Theatre Studies on its program. She thus pursued to enlist in Postcolonial Studies, did some research on the female representation in contemporary performance, and worked in the Zazou club. After this she returned to Belgium, only to take a few years leave of the cultural sector. Working as a companion on a youth-project to Santiago de Compostella, running a temp agency for a couple of months, travelling through South-East Asia en Europe, en basically discovering all the negative aspects of working in the hierarchical corporate business philosophy of the daily business world. Returning to the cultural sector, she started working as a production manager for music theatre company Transparant. After which, she took up a job as a free lance dance critic for the classical radio station Klara. Later on she started writing for the daily newspaper De Standaard. She now publishes in a variety of art and theatre magazines.

Top

Bibliography


'Achterland', programmatekst voor De Munt/Rosas naar aanleiding van de herneming van Achterland, 1998

'Dans anno 2001', Fresco, Cultureel Jaarboek Klara 2001, Roularta, 2001

'Dans buiten de grenzen', Fresco, Cultureel Jaarboek Klara 2002, Roularta, 2002

'Ver-beelding en beweging. Over de imaginaire herinnering en de beweeglijkheid van het beeld', Tussen Beeld en Beweging, Dans in Limburg & Provinciaal Centrum voor Beeldende Kunsten Begijnhof, 2002, pp.19-29

'Terug naar de bron, terug naar de kunstenaar, over Dans@tack, een festival in de marge', Etcetera, jg. 20, nr. 79, april 2002

'Het minimale tonen. Over het werk van Riina Saastamoinen, Superamas, Olga Mesa, en Sato Endo voor Dans@tack Kortrijk', Etcetera, jg. 20, nr. 82, juni 2002, pp.38-40

'nadine, een kunstenaarscentrum', Etcetera, jg. 20, nr. 86, april 2002, pp.31-35

'Het kei zal zich wel weer teren. Over het werk van Alexis Destoop: het lichaam en zijn residu', Etcetera, jg. 20, nr. 87, juni 2003, pp.36-39.

'Het omineuze beeld', Etcetera, jg. 20, nr. 89, september 2003

'De intieme ervaring', Etcetera jg. 20, nr. 90, november 2003

'Focus op het verdwijnen', Etcetera jg. 20, nr. 90, november 2003

'Ik zeg. Ik spuw tegen de wind in'. Dietsche Warande en Belfort, jg. 147, nr. 2, 2002, pp.189-195

'De poëzie van het onzichtbare', Michel Uytterhoeven (red.) Rosas XX, La Renaissance du Livre, 2002

'Inter/Multi/Trans. De zachte vernieling van de disciplines', Nieuwsbrief Dans in Limburg, nr. 3, 2001

'Tussen taal en beweging: danstheater in de schemerzone', Nieuwsbrief Dans in Limburg, nr. 2, 2003

'Medeia, een vervolgingsverhaal', programmaboek CC Maasmechelen, 27 november 2002

'Nostalgie en vakmanschap, een gesprek met Pat Van Hemelrijck', Proscenium jg. 6, nr. 22

'Ik vermoed dat ik een filter in mijn hoofd heb. Interview met videomaker-componist Walter Verdin', Proscenium, jg.6, nr. 24, pp.6-8

'De multimediale optie, theater als grenservaring', Proscenium, jg. 7, nr. 25, pp.6-9

'Valentine Kempynck, een stijlbewaker met geschiedenis', Proscenium, jg.7, nr. 26, 2003, pp.12-17.

'Space and dance. flanders 1999-2003. 8 portretten van choreografen en hun ruimtegebruik', Proscenium, jg. 7, nr. 27, pp.7-17

Top

Poetics


1.Een slakkenhuis noemde ik het. Toen was ik enthousiaste critica voor het culturele radioprogramma Sumo op Scorpio. In 97 ging Rosas’ Just Before in premičre in de Munt. Bij de voorbereiding van mijn recensie besloot ik het te gaan hebben over de spiraal, over het slakkenhuis van wetenschapsfilosoof Gregory Bateson. Niet dat er in de hele voorstelling een spiraal te zien was geweest, laat staan een slakkenhuis. Maar die ineengedraaide oneindige lijn van betekenis was wel hetgeen ik ontcijferde uit het abstracte patroon op de vloer. Het was de metafoor van de ijverige dansrecensent. De ultieme kapstok voor betekenisgeving. Een slakkenhuis, zei ik, om verschillende redenen. Ten eerste omdat deze specifieke behuizing is opgebouwd volgens het principe van de prochromie. Hetgeen wil zeggen dat het in zich steeds de materiële bewijzen van zijn geschiedenis bewaart. Concreet: een slak wordt geboren met een heel klein stukje schaal als bescherming, en gaandeweg zal die schaal zich spiraalvormig uitbouwen tot een volwaardig huis, zonder echter ooit dit oorspronkelijke eerste bouwsteentje te modifiëren. Die eerste stap in de ontwikkeling zal de hele rest van het leven van de slak zichtbaar blijven in de beschermende huls die hij meedraagt. Gregory Bateson was ook een systeemdenker, die zich bezighield met het vastleggen van het systematische in het ogenschijnlijk onvatbare van de natuur. Volgens hem is heel de fysische werkelijkheid opgebouwd volgens logische principes, waarin willekeur of grilligheid geen enkele rol spelen. Wat het slakkenhuis betreft betekent dit dat het zich best op papier laat neerpennen, uitgaande van een eenvoudig principe van vierkanten, die in de linkerbenedenhoek worden ingevuld door andere vierkanten, en waarvan vervolgens de hoeken worden verbonden. Uit deze formele figuur ontstaat een perfect spiraalvormig slakkenhuis. Of hoe je een schijnbaar grillig patroon steeds weer kan benaderen via de omweg van de formule, de grondgevende structuur. Alles in rekening gebracht was ik toen zeer tevreden met mijn analyse van de voorstelling. Ik had een metafoor gecreëerd die allesomvattend was, en de overhangende restrandjes met een gepast gevoel van aplomb makkelijk onder de tafel kon vegen.

2. Vijf jaar later ben ik nog steeds, of beter opnieuw, recensent. En na zoveel tijd weet ik eindelijk waar dat slakkenhuis eigenlijk echt voor stond. Het is het huis van de criticus. De veilige haven van waaruit hij naar buiten kijkt, en zich indrukken eigen maakt. Eenmaal binnen in de knusse begrenzing van de muren wordt het artistieke product aangepast, verkleind en op maat van de metafoor gesneden. Het is de beschermende schaal waarbinnen de recensent zijn inspiratie zoekt. Of we nu kiezen voor de Bateson-metafoor van het slakkenhuis, of voor het Bachelard-beeld van de schelp, in beide gevallen hebben we het over datgene wat tegelijkertijd behoedt en afschermt. Leven in deze afzondering veronderstelt een eenzame bestaan, maar ook een leven in miniatuur, in de beperktheid van de zichzelf toebedeelde veiligheid.

Het is een standpunt van waaruit al wat groots is en ons te boven gaat, dient te worden gereduceerd tot de grootte van een slakkenhuis, metaforisch aan stukken gesneden tot hapklare brokken voor de cultuurconsumerende lezer. Of toch niet? Is de beveiliging van de muren ook niet de noodzakelijke voorwaarde voor het opbloeien van de verbeelding. Voor het zorgvuldig creëren van een antwoord op de vraag die van het kunstwerk uitgaat. Een antwoord dat niet zozeer beschrijft, en dus tot moment reduceert, maar een parallelle beleving probeert te institueren. Een taal die niet langer over dans spreekt maar zelf danst, om het met Valéry te zeggen. Een taal die haar oevers te buiten gaat, en zich overgeeft aan dezelfde abstracte oninzichtelijkheid als dat dansende lichaam zelf. En zichzelf in dit proces mogelijk opblaast of anderszins overbodig maakt.

Bestaat er een beeld dat in zichzelf de verbeelding draagt van iets dat veel groter is dan zichzelf. Dat tot de verbeelding spreekt van elk van zijn lezers. En dat aanduidt wat niet is gezegd. Is er een taal die spreekt tot het verstand, maar ook het hart van iedereen waarmee ze communiceert, en uitstijgt boven de grenzen van het alledaagse, het banale, het gezond verstand, en alle mogelijke sociale en culturele barričres.

Nee natuurlijk niet. Want ik kan niet houden van een voorstelling. Omdat ik ook hou van kip met appelmoes.

3. Wat het beeld opgebouwd binnen de veilige muren van de verbeelding wel kan is een metafoor creëren die de grenzen tussen heden, verleden en toekomst opblaast. Die relaties legt waar er geen waren, en standpunten vrijmaakt van waaruit eerder niet kon gekeken worden. Wat de verbeelding van de recensent wel kan is een nieuwe toeschouwer creëren. Die niet ziet wat er te zien was, maar leest wat er zou kunnen te zien zijn. En dit doet met volle overtuiging. Omdat ik ik wil zeggen. En waar mogelijk niet wij. Want welk recht heb ik om namens een gedeelde overtuiging te spreken. Al was het maar de veilige aanspraak op de instemming van Bateson of Bachelard. Mijn veilig hol van referenties. Die me knus toedekken met de mantel der algemeen aanvaarde intellectualiteit. Welk recht heb ik om te veronderstellen dat mijn visie op de buitenwereld inzichtelijk zou kunnen zijn voor om het even welk van mijn lezers. Welk ander recht dan de aanvaarding van mijn plicht te zoeken, met steeds wanhopiger moed, naar een uitgangspunt dat mijn slakkenhuis te buiten gaat, overstijgt, en in al zijn verbale bravoure op de kaart zet als onoverkomelijk subjectief terrein. Het huis dus als noodzakelijke bescherming voor een denken dat vervolgens de straat wordt opgeschopt, om zich in al zijn kwetsbaarheid te laten consumeren. Een schrijven dat zich heeft ontdaan van de ’s keizers nieuwe kleren. En is dat dan persoonlijk? Of wat moet ik daaronder verstaan?

(4. Is het persoonlijker het gevecht aan te gaan met de kruispunten van Rosas en mijn intieme geschiedenis? Als ik vertel hoe Achterland me ertoe bracht de regels van de buitenspelval te memoriseren, en de heroďsche ondergang van het Belgische elftal te aanschouwen in een memorabele match tegen Engeland. En hoe deze prestatie mij de appreciatie en affectie verwierf van de die avond aangezette eerste Serieuze Relatie. In de gietende regen, onder de takken van wat ik nu voor het gemak een wingerd zal noemen, al heb ik nog nooit een wingerd van dichtbij gezien, en ga ik in deze alleen maar uit bij het gevoel dat het woord wingerd bij me oproept als ik het geschreven zie staan.

Ik betwijfel het. Al was het maar omdat ik geen “wingerd” van een wingerd kan onderscheiden. Of omdat intimiteit enkel intimiteit initieert. Een blik op mijn persoonlijke kruispunten van betekenis, creëert ten hoogste een gevoel van herkenning, dat de lezer aanzet tot introspectie. Op zoek naar zijn eigen herinneringen aan studentikoze romance en voetbalplezier. Maar het brengt ons hoogstwaarschijnlijk geen stap dichter tot de voorstelling.)

I treated objects without care when it was prescribed to treat them with care. I touched objects which were unnaesthetic and sinful to touch. I separated objects, which were advised not to separate. I failed to keep the required distance from objects, from which it was advisable tot keep the required distance.

5. Wanneer ik mijn perceptie van een artistieke geste heb binnengehaald, heb ik dat gedaan in een poging tot begrijpen. In dat proces heb ik mij de herinnering van de kunstenaar eigen gemaakt, als waren hij en ik intiem met elkaar verbonden. Als zat hij in mij en ik in hem. The erotics of art. Sommige makers laten zich echter niet recupereren. Zij laten je niet genoeglijk opkrullen in de sofa, maar trekken de stoel onder die zelfgenoegzaamheid weg. In de afwijzing van onze stilzwijgende verbondenheid, vind ik telkens weer mijn plaats terug.

Het is zijn taak mij op mijn plaats te zetten, zoals het de mijne is elke keer opnieuw met een hernieuwde onschuld naar zijn voorstelling te komen kijken. Ook als ik zijn werk al tien jaar ken, ook als ik meen niet meer te kunnen bewogen worden. Ook als ik zijn herinneringen op mijn zolder heb opgeborgen. Het is een voortdurend zoeken naar die oorspronkelijke blik. Dat eerste moment van verwondering.

6. Opnieuw: de criticus verhoudt zich tot het kunstwerk, dat telkens weer aan zijn greep ontsnapt. Ik heb tegen objecten kunnen spreken over voorwerpen. Ik heb voorwerpen kunnen vernietigen. Het object ja, maar nooit het woord voor het object. Je kan het herbetekenen, maar evengoed betekent het niets. Telkens opnieuw sta je voor een frustrerende werkelijkheid die terugwijkt onder je aanraking. Een uitdijend niemandsland van betekenis. Terwijl je de woorden uitspreekt, heeft de realiteit zich al aan je aanspraken onttrokken. Jij zeg ik, en ik praat over de jij die je net nog was, maar die nu jij is geworden. Het is een pervers spel van verleiding. Valmont en de Merteuil in een voortdurend steekspel van kaleidoscopisch uitwaaierende betekenis.

Hoe langer hoe meer groeit het besef van een steeds tegenwoordige ontoereikendheid. Hoe meer ik schrijf, hoe meer de futiliteit ervan me belaagt. Het is een eindeloze loopgravenoorlog in een steeds groter wordend niemandsland. En ik heb nog niet eens zoveel als een glimp van de vijand opgevangen.

De taal begrenst de zegbaarheid. Mijn geschiedenis construeert mijn ervaring. Mijn ervaring mijn kijken. En de resultante van al deze factoren omlijnt het heuphoge sleutelgat van mijn perceptie. Wat valt daarover dan te zeggen. Wat anders dan de beschrijving van een momentopname, waarvan het ervoor en het erna aan mij is voorbijgegaan. Wat meer kan ik zeggen dan dat ik het enkel had over mijzelf. Of over de taal zelf in al haar ontoereikendheid.

7. Schuldbelijdenis van een benoemer: I called anger red I called ultimate questions unanswearable I called horror frightful I called left liberating I called the surface smooth I called the sinner poor I called dignity inborn I called darkness impenetrable I called life rich I called money of no account I called reality vulgar I called snow white I called water fluid ... of deed ik dit niet en maakte ik me daardoor schuldig aan de creatie van nieuw uit te hollen metaforen.

8. Ik sta nu buiten. Ik heb mijn schelp verlaten, en doe datgene wat in al zijn eenvoud de grondslag van mijn schrijven is. Ik scheid het ene van het andere. Ik creëer onderscheid. Ik zeg dat het ene niet het andere is. Ik zeg wat iets niet is. Ik sta in de negatieve bevestiging. Ik zeg ik.

(deze poëtica-tekst is een bewerking van de tekst ‘Ik zeg. Ik spuw tegen de wind in.’ die integraal elders op de site te vinden is)


Top