![]() |
Het theater van de geest |
| Author(s): Rudi Laermans | |
| First published in: Book: The Lucidity of the Obscene, 1998 | |
|
'Da's treurig, hé?'
'Met iemand die de chaos totaal aanvaardt, valt absoluut niet te leven.'
'Een kopstoot...'
'Een grote familie, hé?'
'Ik vraag jou één woord. That’s it'
'Angst, gêne... Dat is mijn grootste probleem, maar niet alleen op de scéne. Dat is een levensprobleem.’
***
'Luciditeit': streven naar helderheid, wijze van zelfonderzoek waarin men zich illusieloos tracht te verhouden tot de ethische noodzaak 'om in waarheid te leven'. Irrationaliteit van deze als absoluut aangevoelde morele plicht, onmogelijkheid om zichzelf lucide te noemen: mogelijkheid dat men de beoogde 'zelf-waarheid' niet kan bevatten. Of dat men ze niet zal kunnen uithouden of verdragen. Luciditeit impliceert bescheidenheid. Misschien is het vermogen tot waarheid, in de sterke betekenis van het woord, de mens niet gegeven; misschien beogen we een ultiem object dat ons voor altijd zal ontsnappen. Mogelijkheid van een God, desnoods als Zuivere Hypothese. Mogelijkheid van een Duivel die ons in naam van de moraal gedurig tot zelfonderzoek aanspoort op grond van de illusie dat 'ik denk'. Mogelijkheid om deze mogelijkheden te overwegen en de ruimte van het denken te theatraliseren. Mogelijkheid om elke gedachte te virtualiseren en het eigen denken als niets meer dan een mogelijkheidsmachine te beschouwen. Alleen het verstrijken van de tijd die voor de uitkristallisatie van een gedachte nodig is, kan absoluut heten. Denken is tijdverlies. Het 'zelf is niets... én het vermogen om dit niets onophoudelijk te laten vollopen met gedachten, sentimenten, strevingen... Noodzaak van een geestelijke ascese, georiënteerd naar een letterlijk automatisch, anoniem denken. Noodzaak van absolute concentratie. Noodzaak om het bewustzijn in 'bewustheid' te transformeren. In een puur vermogen, in een zuivere kracht, in niets meer dan intensiteit. Noodzaak om te verlangen als een automaton. De waarheid is... niets. Gat. Leegte. Bodemloosheid. Sacraal centrum. Denken zonder grond en ook dit inzicht niet als grond aanvaarden; denken dat men misschien überhaupt niet denkt maar in een peilloze diepte wegzinkt en de begeleidende bewegingen van de hersenen, waarvan de zelfgenoegzame nadrukkelijkheid per definitie verdacht is, ten onrechte voor gedachten aanziet. Bewustzijn dat de mogelijkheid van bewust-zijn bewust betwijfelt. Luciditeit eindigt keer op keer bij de contemplatie van paradoxen: voorbij deze grens begint de mystiek. Getuigt het wel van luciditeit om lucide te (willen) zijn? De dood is... niets, en zo ook de zelfgekozen eenzaamheid, die een altijd ambivalente band met de dood onderhoudt: ze wankelt tussen omhelzing en daadkracht. De gerichtheid op het ultieme wil gewoonlijk nog één enkele ultieme daad stellen. Paradox van de zelfmoord. Altijd en overal verwachtingen. Over dingen, mensen, de toekomst. Zelfs over de dood koesteren we grootse verwachtingen. Altijd weer opnieuw die uitroeptekens, die een contingente ervaring of gedachte een schijn van importantie moeten verlenen. Altijd en overal die absurde talige dansen waarvan de choreografische nauwkeurigheid een onmenselijke oorsprong doet vermoeden.
Objectivisme, maar dan radicaal: iedere mens leeft en sterft alleen, in een onophefbare eenzaamheid waarvoor de tragische anonimiteit van het vlees nog steeds het beste beeld levert. Alleen in de reddende weergave van dit beeld verandert obsceniteit in luciditeit. Rembrandt als eeuwig voor-beeld. Aanvaarding van de waarheid van het sociale: zichzelf wegcijferen ten voordele van anderen. Z'n rol spelen, de eigen persoon in de coulissen laten. Geen aanspraak maken op enige verdienste, de institutionele taken met toewijding en zorg uitvoeren - omdat ze berusten op een redeloos sociaal geloof in waarde, efficiëntie, nut. Gelovig ongelovig zijn. Beschaafde onverschilligheid paren aan gereserveerd engagement. Zich nooit ten volle uitspreken. Schrijven en communiceren in het bewustzijn dat de taal slechts communicatie mogelijk maakt op voorwaarde dat men individueel niet begrepen wordt. De eigen woorden niet langer willen begrijpen. Onophefbare intransparantie van het bewustzijn. Zich daarom overgeven aan de anarchische manier waarop het met taal omgaat: springerig, tollend, verwoestend. Ultieme poging tot verzet tegen het fascisme van de taal, tegen haar gedurige moord op elke vorm van particulariteit - op de indifferentie van de realiteit. Nietig, tot mislukken gedoemd verzet. Stamelen, stotteren, prevelen, ten slotte zwijgen, en zo alsnog in de taal de waarheid van de taal tonen: Beckett. U blijft dus volhouden dat uw geschriften enkel getuigen van, zoals u het zelf noemt, 'de geestesgesteldheid van de moderne ingenieur'? U verwijt de mensheid zoiets als metafysische luiheid? Hoe beoordeelt u dan de waarde van uw geschriften? IJdelheid is u totaal vreemd? Maar waarom al die inspanningen? Wat beoogt u toch? Ons verlangen geldt nooit de waarheid: het wil altijd het Ware (het Goede, het Schone). Verlangen is verlangen naar hoofdletters. Genotvol is enkel die gedachte die zichzelf een aura van absoluutheid weet aan te meten. Alleen het ultieme gaat ons echt aan: de Waarheid is noodzakelijk de laatste waarheid; ze zal alle andere mogelijkheden en hypothesen vernietigen, zodat het denken zich op het ogenblik van de verwoording ervan tot de eeuwige herhaling van één zelfde frase veroordeelt. Wat wij verlangen is altijd en overal: een Einde - die bliksemschicht van Waarheid, Goedheid of Schoonheid die de tijd voorgoed stilzet en elk leven in een perfecte vorm doet stollen. Erfzonde van de mens: na zo'n flits ontwaken in een wereld boordevol mogelijkheden. Opnieuw de last van keuzes, preferenties, vrijheden: 'De Messias bestaat slechts als seconde.' Elke momentane dood is een stompzinnige vorm van zelfbedrog: genot ter compensatie van idiotie. Bewuste affirmatie van een seconden-bewustzijn waarin zelfverlies samengaat met pathetisch gespartel; waarin het moment van verlossing tevens de overgang naar een toestand van lichamelijke belachelijkheid markeert; waarin het bestaan fractaal wordt opgeheven ten faveure van een maalstroom van chaotische sensaties, een vormeloos niets. Waarin het bewustzijn een ogenblik lang hapert en zichzelf vervolgens verdoemt tot de misvatting dat het gebeurde een moment van eeuwige gedachteloosheid was. Misschien was er enkel sprake van een onmetelijke gedachtesprong, een uitgerekt interval waarin niets van betekenis plaatsvond, waarna de afgebroken zelfcommunicatie verder loopt. 'Waar waren we ook weer gebleven? O ja...' Onbeduidende storing van de zichzelf corrigerende machine. Ultieme grens van elk verlangen naar het ultieme: de objectale wereld, de dingen die hic et nunc het lichaam weerstand bieden. In de onverschilligheid van de dingen een onbereikbaar ethisch ideaal herkennen.
Distantie. Zwijgend weten. Alles doordringend besef van tevergeefsheid en daarom doen wat moet worden gedaan. Wat zich als plicht aandient. Moraal zonder woorden. Deugdzaamheid. Kunst maken, en weten dat men een lijk balsemt. Trouw zijn aan één enkel iemand op een volkomen onromantische wijze, nooit denken dat de andere een altoos begrijpend alter ego is: trouw zijn aan een vreemdeling. Denken en leven zonder illusies, en uiteraard rekening houden met de mogelijkheid dat men zo de gevangene van een ultieme illusie is. Altijd de meest onmogelijke mogelijkheid overwegen; altijd het gaatje in een fascinerende gedachte, de wonde in het perfecte lichaam zien. Geciviliseerde ijzigheid. 'Verfrorenheit'. Afkeer van de vanitas, liefde voor de flits van inzicht die het zelfbewustzijn vernedert; afkeer van het gewilde, de polemiek, het gebabbel: liefde voor het masker dat niets verbergt; afkeer van iedere vorm van nadrukkelijke openbaarheid, liefde voor diegenen die geduldig blijven gokken op een kortstondig ogenblik van zelfbegrip, een moment van initiatie in het geheim dat ze zijn. We zijn met weinigen; we herkennen elkaar aan gebaren en intonaties. Aan een fundamentele reserve in elk enthousiasme: iedere overgave wordt met onverschilligheid vergoed. Dwars door alle denkbare sociale scheidslijnen heen bestaat een wij dat een naamloos verbond omschrijft - dat zich in het geheim geketend weet door een idioot zwijgen, een onuitspreekbare weigering, een onmogelijke gewelddadigheid. Uit de asse van dit onbenoembare collectief zal ooit een ster verrijzen die de wereld verblindt. Haar voorafschaduwing vindt deze ster in elk kunstwerk dat ons tot stomheid veroordeelt. |
|
|
©Rudi Laermans |
|