![]() |
De dingen moeten zichzelf uitwijzen Bach/ creatie 1993 |
| Author(s): Rudi Laermans | |
| First published in: Notes, 1993 | |
|
Notes vroeg cultuursocioloog en free-lance criticus Rudi Laermans om met Anne Teresa De Keersmaeker te praten over haar nieuwe produktie voor het Holland Festival, Bach/Creatie 1993. Muziek. Anne Teresa De Keersmaeker maakt geen choreografieën waarin een directe dialoog wordt aangegaan met de klassieke ballettaal. Maar de wijze waarop ze haar eigen bewegingstaal voortbrengt, getuigt van een quasi-traditionele, klassiek (niet: classicistisch) aandoende visie op de relatie tussen muziek en dans. Want voor De Keersmaeker is muziek geen choreografisch hulpmiddel of louter functioneel instrument, en al helemaal niet een secundair ingrediënt van een dansvoorstelling. Choreograferen is voor haar synoniem met het zoeken naar een bewegingstaal die in alle opzichten recht doet aan de muzikale taal waarmee wordt gewerkt. De titel van één van de voorstellingen van De Keersmaeker - Bartok/Aantekeningen - kan daarom worden uitgebreid tot bijna heel haar choreografisch oeuvre. Met uitzondering misschien van Elena's Aria zijn al haar dansvoorstellingen primair 'belichaamde aantekeningen' bij muzikale composities. Niet dat de dans in dienst staat van de muziek: De Keersmaeker wil geen mooie prentjes maken bij aangename melodieën. Ze beoogt integendeel steeds een bewegingsschriftuur - het woord 'schriftuur' is haar dierbaar - die met de muzikale partituur op een spanningsvolle, contrapunktische wijze dialogeert. Daarom mag ook het choreografische materiaal het basismateriaal nooit overstemmen, laat staan toedekken. Zoals ze zelf opmerkt: 'Over het algemeen zegt de muziek al zoveel, dat ze niet verdraagt dat je er nog iets anders bij gaat zeggen. De muziek bezit uit zichzelf al zoveel intensiteit en dichtheid dat je er alleen maar afbreuk aan kan doen door als choreograaf ook nog zelf iets te willen zeggen'.
BACH/'BACH' In haar nieuwe voorstelling, die einde juni tijdens het Holland Festival in première gaat, voorziet De Keersmaeker vier klavierstukken van Bach - onder meer een Franse Suite, een Sonate en een Toccata - van 'lijfelijke notities'. Het wordt een kleinschalige voorstelling: één muzikant (pianist Jos van Immerseel, die mee de muziekkeuze maakte) en vijf dansers (waaronder De Keersmaeker zelf), die echter nooit alle tezamen op het podium zullen staan. De Keersmaeker omschrijft de muziek van Bach als tegelijk 'limpide' - helder, doorzichtig, transparant - en 'complex'. Juist deze spanning trekt haar aan in Bachs composities en streeft ze, zij het op een andere manier, ook in haar bewegingstaal na: 'Ik hou van klassieke lijnen, van een klassieke architectuur die wordt opengebroken door een veel minder geometrische of symmetrische bewegingstaal. Daar ben ik ook in Bach mee bezig. Want een té klassieke architectuur op Bachs muziek enten, zou het geheel al te braaf maken, en ook historisch oninteressant. Er moet een spanningsveld gecreëerd worden tussen het verleden en het heden - maar dat klinkt eigenlijk te simplistisch - tussen de kracht en de zuiverheid die klassieke lijnen bezitten en daarvan verschillende bewegingselementen.
'HOW TO GENERATE MOVEMENT?' Juist omdat voor De Keersmaeker in het choreograferen 'de muziek het primaire discours vormt,' dwingt elke nieuwe voorstelling per definitie tot een nieuwe zoektocht naar bruikbaar bewegingsmateriaal.
DE SCÈNE Haar grote en binnen de context van de hedendaagse dans, tamelijk uitzonderlijke respect voor de gebruikte muzikale partituur, heeft Anne Teresa De Keersmaeker reeds meermaals scènisch gevisualiseerd. Zo kregen in Mozart/Concertaria's de zangeressen een centrale plaats op het podium, en werd voor Erts een soort van podium-op-het-podium gebouwd voor het Arditti Kwartet. In Bach zal pianist Jos van Immerseel goed zichtbaar zijn: een dubbele helling in de voorziene scène moet ervoor zorgen dat hij volledig mee deel uitmaakt van de voorstelling. De Keersmaeker wil zo niet enkel het belang van de muziek voor haar choreografisch werk beklemtonen. Het is haar ook te doen om de bewegingen van de muzikant(en). Want deze lichaamstaal draagt als het ware de bewegingstaal van de dansers: pas door de bewegingen van de muzikant(en) wordt het muzikale basismateriaal gegeneerd dat de andere bewegingen op de scène mogelijk maakt. Als choreografe is De Keersmaeker overigens ook gefascineerd door zowel de materialiteit als de eigen schoonheid van 'muziek makende bewegingen'. Die zullen in Bach ook nog worden benadrukt door de afwezigheid van andere in het oog springende decorstukken: van Immerseels piano zal als het ware het belangrijkste rekwisiet vormen (maar een muziekinstrument in een voorstelling van De Keersmaeker natuurlijk juist alles behalve een simpele scenische benodigdheid). Daarnaast zullen op het podium alleen enkele stoelen staan. Zetels of stoelen vormen zo onderhand een druk besproken waarmerk van De Keersmaekers voorstellingen: geen De Keersmaeker zonder 'zitmiddelen'. Zelf vindt ze het haast vanzelfsprekend om voortdurend stoelen of fauteuils te integreren in haar bewegingstaal: staan, liggen en zitten zijn immers de drie basisposities van het menselijk lichaam. Is onze alledaagse cultuur overigens niet ook voor alles een 'zitcultuur' waarbinnen maar weinig wordt rechtop gestaan of gelopen? |
|
|
©Rudi Laermans |
|